
Praktijkvoorbeelden zorgvuldigheidseisen
Jaarverslag RTE 2025
Hieronder zijn vijf meldingen beschreven waarbij vijf zorgvuldigheidseisen uit de Wtl aan de orde komen: de overtuiging van de arts dat sprake was van (a) een vrijwillig en weloverwogen verzoek en (b) van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, (d) de overtuiging van de arts en patiënt samen dat een redelijke andere oplossing ontbrak, (e) de consultatie van een onafhankelijke arts en (f) de medisch zorgvuldige uitvoering van de levensbeëindiging. De vijf meldingen zijn op één na aangemerkt als niet-vragen oproepend, zogenoemde NVO-meldingen. Deze zijn door een voltallige commissie digitaal beoordeeld. De VO-melding is in een commissievergadering beoordeeld.
Vrijwillig en weloverwogen verzoek
De Wtl bepaalt dat een arts de overtuiging moet hebben gekregen dat sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënte. Dit verzoek moet de patiënte zelf doen. Het verzoek van de patiënte moet vrijwillig zijn. Aan de vrijwilligheid zitten twee aspecten.
In de eerste plaats moet het verzoek zijn gedaan zonder onaanvaardbare invloed van anderen (externe vrijwilligheid). De arts moet zich ervan overtuigen dat van dergelijke invloed geen sprake is.
In de tweede plaats moet de patiënte wilsbekwaam zijn ten aanzien van haar euthanasieverzoek (interne vrijwilligheid). Dat betekent dat de patiënte voldoet aan vier kenmerken. Zij is in staat op begrijpelijke wijze te communiceren over haar euthanasieverzoek. Zij kan de relevante (medische) informatie over haar situatie en prognose begrijpen. Zij heeft ziekte-inzicht: dat wil in dit verband zeggen dat de patiënte overzicht heeft over haar situatie en de gevolgen van euthanasie en over eventuele alternatieven. Tot slot is zij in staat duidelijk te maken waarom zij euthanasie wil (EuthanasieCode 2022).
Het komt regelmatig voor dat vooral somatische aandoeningen de lijdensdruk van de patiënte veroorzaken en dat de patiënte daarnaast een psychische aandoening heeft. Deze aandoening kan ook bijdragen aan de door de patiënte ervaren lijdensdruk. Ook in deze gevallen zullen de arts en de consulent nadrukkelijk moeten overwegen of de psychische aandoening van de patiënte de vrijwilligheid of de weloverwogenheid van haar verzoek mogelijk in de weg staat. Als de consulent geen psychiater is, kan het ook in een dergelijk geval nodig zijn een psychiater om advies te vragen over de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (EuthanasieCode 2022).
Per 1 januari 2026 is de EuthanasieCode geactualiseerd. Deze zorgvuldigheidseis staat op pagina’s 11-13.
Bij een vrouw, tussen de tachtig en negentig jaar oud, was drie jaar voor het overlijden reumatoïde artritis vastgesteld. Ook had zij maculadegeneratie, waardoor haar zicht steeds slechter werd. De vrouw bleek daarnaast een beknelde zenuwwortel te hebben, waardoor zij steeds minder mobiel werd en in een rolstoel terechtkwam. Verder ondervond zij veel beperkingen door chronische diarree waar zij ernstig vermoeid van raakte en waardoor zij leed aan elektrolytenstoornissen (een onbalans van mineralen en zouten in het bloed). Tot slot kampte de vrouw met pathologische (verstoorde) rouw en was zij in de voorgeschiedenis bekend met een depressie.
Het verzoek
Ruim anderhalf jaar voor het overlijden besprak de vrouw haar euthanasiewens voor het eerst met haar toenmalige huisarts. Ongeveer drie maanden voor het overlijden besprak zij haar wens met de arts, een specialist ouderengeneeskunde. Haar wens werd in de daaropvolgende maanden meerdere keren met de arts besproken. De arts liet zich tijdens het euthanasietraject bijstaan door een arts van Expertisecentrum Euthanasie.
Consultatie
De arts consulteerde een SCEN-arts als consulent. De consulent sprak de vrouw een maand voor het overlijden. De vrouw had een sombere stemming op het moment dat zij over het verlies van een dierbare sprak. Zij vertelde dat de rouw al jaren stabiel was en nu niet was toegenomen. De consulent zag geen aanwijzingen voor een depressie, angst of relevante cognitieve stoornissen en had de indruk dat de vrouw wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasiewens. De consulent kon echter niet uitsluiten dat haar pathologische rouwproces haar vrijwilligheid en weloverwogenheid in de weg stond. De consulent concludeerde dat de arts (nog) niet tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.
Onafhankelijk psychiater
De arts raadpleegde vanwege de gestagneerde pathologische rouw een onafhankelijk psychiater om de wilsbekwaamheid van de vrouw te beoordelen. De onafhankelijk psychiater bezocht de vrouw ongeveer twee weken voor het overlijden. Hij was van mening dat het euthanasieverzoek gebaseerd was op haar lichamelijke aandoeningen en dat de (pathologische) rouw na het overlijden van twee naasten slechts beperkt een rol leek te spelen. Hij concludeerde dat er geen sprake was van een psychiatrisch toestandsbeeld dat de vrijwilligheid en de weloverwogenheid van haar verzoek tot euthanasie beïnvloedde.
Vrijwillig en weloverwogen verzoek
De consulent concludeerde na ontvangst van het verslag van de onafhankelijk deskundige dat er geen sprake was van een psychiatrisch toestandsbeeld en dat de arts daarmee tot de overtuiging kon komen dat het ging om een vrijwillig en weloverwogen verzoek en van ondraaglijk en uitzichtloos lijden van de vrouw. De vrouw was voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over haar vooruitzichten. Daarnaast kon de arts met de vrouw tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was.
De commissie oordeelde dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
Uitzichtloos en ondraaglijk lijden
Het lijden van een patiënte wordt als uitzichtloos beschouwd als de ziekte of aandoening die het lijden veroorzaakt niet te genezen is en het ook niet mogelijk is de symptomen zodanig te verzachten dat daardoor de ondraaglijkheid verdwijnt. Van uitzichtloosheid is sprake wanneer reële, en voor de patiënte redelijke, curatieve of palliatieve behandelopties ontbreken.
De ondraaglijkheid van het lijden is soms moeilijk vast te stellen, omdat de beleving van lijden sterk persoonsgebonden is. Wat voor de ene patiënte nog draaglijk kan zijn, is dat voor de andere patiënte niet. Het gaat om de beleving van de individuele patiënte, in het licht van haar levens- en ziektegeschiedenis, persoonlijkheid, waardepatroon en fysieke en psychische draagkracht. Het moet voor de arts, mede gelet op het voortraject, invoelbaar en begrijpelijk zijn dat het lijden voor déze patiënte ondraaglijk is (EuthanasieCode 2022).
Per 1 januari 2026 is de EuthanasieCode geactualiseerd. Deze zorgvuldigheidseis staat omschreven op pagina’s 13-15.
Bij een man, tussen de zestig en zeventig jaar oud, was twee jaar voor het overlijden een atypisch Parkinsonisme vastgesteld.
Het lijden
Bij de man bestond een sterke verdenking van een zeldzame, progressieve hersenziekte die leidde tot problemen met bewegen, denken en spreken door het afsterven van hersencellen. Deze aandoening wordt vaak verward met de ziekte van Parkinson, maar kent een andere oorzaak en heeft een sneller progressief beloop. De man ervoer al jaren balansproblemen en kampte ook met spraakproblemen. Hij kon moeilijk uit zijn woorden komen en kon zich ook maar moeilijk verstaanbaar maken. De man had een maskergelaat en kreeg steeds meer te maken met geheugenproblemen. Hij ging steeds verder achteruit en leed aan het vooruitzicht dat hij nooit zou genezen en dat de ziekte hem geestelijk en lichamelijk belastte. De afgelopen jaren toonde hij zich enorm strijdvaardig, maar wilde absoluut geen ‘kasplantje’ worden. Hij hechtte veel waarde aan zijn autonomie en wilde niet volledig afhankelijk van anderen worden, omdat hij dan zijn waardigheid zou verliezen.
Het verzoek
De man had een jaar voor het overlijden voor het eerst met zijn huisarts, de arts, over euthanasie gesproken als mogelijkheid voor de toekomst. Vijf maanden voor het overlijden werd zijn euthanasiewens concreet en drie maanden later verzocht hij de arts om daadwerkelijk de euthanasie uit te voeren.
Consultatie
De arts consulteerde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent sprak de man bijna twee maanden voor het overlijden. De man gaf aan dat vooral het perspectief dat hij alleen maar verder achteruit zou gaan, voor hem ondraaglijk lijden was. Hij kon zich op dat moment nog goed redden in de algemene dagelijkse levensverrichtingen en was nog niet afhankelijk van anderen. Hij ervoer nog levensvreugde door zijn dagbesteding en dagelijkse wandelingen, maar gaf zijn kwaliteit van leven een ruime onvoldoende. Hoewel de consulent er wel van overtuigd was dat de man leed doordat hij geen perspectief had en wist dat hij alleen maar verder achteruit zou gaan, vond hij het moeilijk invoelbaar dat het leven voor de man nu al ondraaglijk was. De consulent meende dat er nog sprake was van een acceptatie- en rouwproces en dat hij nog langer zou kunnen genieten van zijn dagelijkse wandelingen, als hij zou accepteren dat hij hulpmiddelen moest gaan gebruiken.
Tweede consultatie op verzoek van de man
De man verzocht via de arts om een tweede gesprek met de consulent. De man liet weten inderdaad nog van zijn activiteiten te kunnen genieten, maar vooral met het idee dat hij straks euthanasie zou krijgen. Van deze lichtpuntjes kon hij nu nauwelijks nog genieten en gaf aan zich door de dagen heen te moeten slepen. Het idee volledig afhankelijk van anderen te worden, voelde voor hem als een verlies van zijn waardigheid. Ook merkte hij dat hij steeds meer functies verloor; zo waren zijn spraak en zicht verder achteruit gegaan en raakte hij uitgeput omdat de alledaagse dingen hem veel energie kostten. De man kon duidelijk uiteenzetten waarom hij in zijn beleving ondraaglijk leed. Deze nadere toelichting en heldere uiteenzetting maakte dat de consulent nu ook overtuigd was van zijn ondraaglijk lijden. De consulent kwam na het tweede gesprek dan ook tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.
De commissie oordeelde dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
Ontbreken redelijke andere oplossing
De arts moet met de patiënte tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is. Deze zorgvuldigheidseis, die gezien moet worden in relatie tot de uitzichtloosheid van het lijden, houdt verband met het ingrijpende en onomkeerbare karakter van euthanasie. Als er minder ingrijpende manieren zijn om het ondraaglijk lijden van de patiënte weg te nemen of wezenlijk te verminderen, verdienen die de voorkeur.
Het gaat bij deze zorgvuldigheidseis om een overtuiging van de arts en de patiënte gezamenlijk. Dit betekent dat de beleving en de wensen van de patiënte een belangrijke rol spelen. Er is sprake van een alternatief voor euthanasie als er een reële, en voor de patiënte redelijke, mogelijkheid is om het lijden te verzachten of weg te nemen (daarbij hoeft het niet alleen om een medische interventie te gaan). De voordelen van het alternatief moeten groter zijn dan de nadelen. ‘Redelijk’ houdt onder meer in dat er een gunstige verhouding is tussen het met het alternatief te bereiken effect en de belasting daarvan voor de patiënte. Ook moet de door het alternatief te bereiken verbetering op afzienbare termijn kunnen worden gerealiseerd; hierbij speelt de levensverwachting van de patiënte een rol (EuthanasieCode 2022).
Per 1 januari 2026 is de EuthanasieCode geactualiseerd. Deze zorgvuldigheidseis staat op pagina’s 15-16.
Bij een vrouw, tussen de vijftig en zestig jaar oud, was sprake van een therapieresistente schizoaffectieve stoornis, te weten een bipolaire stoornis type I. Dit is een psychische aandoening die zowel kenmerken heeft van schizofrenie (waanstoornis) als van een stemmingsstoornis.
Het lijden
De vrouw had al sinds haar kindertijd een depressieve stemming. In haar studententijd werd deze depressie ernstiger en ontwikkelde zij na gebruik van medicatie een (manische) psychose. Ook kampte zij sinds haar tienertijd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en loopstoornissen nadat zij was aangereden. Daarnaast ontwikkelde zij door bijwerkingen van medicijnen obesitas, diabetes type II en pijn. Deze pijn verergerde nadat bij de vrouw ruggenwervels inzakten.
De vrouw had door haar aandoeningen veel ingeleverd. Zij was een hoogbegaafde vrouw die twee universitaire studies had afgerond, maar door jarenlange psychische klachten niet meer op haar oude niveau kon functioneren. Dit was voor haar moeilijk te accepteren. Zij kon daardoor niet meer het leven leiden zoals zij gewend was en kon geen invulling vinden die voor haar acceptabel was. Het verlies van haar werk, huwelijk en doel in het leven als gevolg van de psychische klachten had haar lamgeslagen. De vrouw was enorm vermoeid en kon het niet meer opbrengen om, voor haar gevoel, zinloos te lijden.
Meer dan veertig jaar lang werd de vrouw zeer uitgebreid behandeld voor haar psychische aandoeningen. Dit gebeurde zowel met medicatie als met psychotherapie. Daarbij werd zij ingesteld op verschillende vormen van medicatie en onderging zij zowel traumatherapie als herstelgerichte therapie. De vrouw is daarbij meerdere keren langdurig opgenomen geweest in een psychiatrische instelling. Hoewel steeds werd geprobeerd om haar situatie te stabiliseren, had geen van de behandelingen het gewenst effect gehad.
Het verzoek
Zowel de huisarts als de behandelend psychiater van de patiënte voelden zich niet in staat om haar euthanasieverzoek uit te voeren. Zij werd daarom verwezen naar Expertisecentrum Euthanasie (EE). De arts, werkzaam voor EE, sprak in een periode van een jaar vijf keer met de vrouw. Zij vroeg de arts al tijdens het eerste gesprek om hulp bij zelfdoding.
De onafhankelijk psychiater
De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater voor een second opinion over de diagnose, de wilsbekwaamheid van de vrouw in haar euthanasieverzoek en of er nog behandelopties waren.
De onafhankelijk psychiater bevestigde de diagnoses en dat de vrouw wilsbekwaam was. Hij zag voor haar nog theoretische behandelmogelijkheden, zowel in de vorm van medicatie (MAO-remmers) als in de vorm van experimentele behandelingen zoals electroconvulsietherapie (ECT) en esketamine. Ook gaf de onafhankelijk psychiater aan dat er nog een psychologische behandeloptie was, namelijk intensieve psychotherapie met traumatherapie. De onafhankelijk psychiater schatte echter de kans dat deze behandelingen voldoende effect zouden hebben klein in.
Volgens de onafhankelijk psychiater moest bij het bespreken van theoretische behandelopties namelijk rekening worden gehouden met het feit dat de vrouw hoop en energie had verloren door een zeer lange en ontmoedigende behandelgeschiedenis. Haar vertrouwen in psychologische behandeling was beschadigd omdat zij jarenlang intensief was behandeld met zeer beperkt resultaat. Zij kon het daarom niet meer opbrengen om een nieuwe behandeling aan te gaan met een onzekere uitkomst.
De arts reflecteerde op de bevindingen van de onafhankelijk psychiater en kwam tot de conclusie dat de voorgestelde experimentele behandelingen een stemmingsontregeling zouden kunnen uitlokken, waardoor de situatie van de vrouw nog verder zou verslechteren. De arts kwam mede tot deze conclusie omdat psychotherapie bij de vrouw eerder moest worden gestopt wegens een ontregeling. De vrouw was dan ook niet te motiveren om de voorgestelde behandelopties nog te proberen.
Consultatie
De arts kon dit besluit van de vrouw volgen en raadpleegde een consulent. Ook de consulent zag geen zinvolle therapeutische opties om haar situatie te verbeteren.
In deze melding had de commissie geen twijfels dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. De commissie heeft de melding daarom afgedaan met een beknopt oordeel. De RTE heeft deze melding dan ook niet gepubliceerd op haar website.
Consultatie
De arts behoort voorafgaand aan het uitvoeren van de euthanasie ten minste één andere, onafhankelijke arts te raadplegen, die de patiënte ziet en beoordeelt of is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen ten aanzien van het verzoek, het lijden, het ontbreken van redelijke alternatieven en de voorlichting aan de patiënte.
De geraadpleegde consulent geeft een onafhankelijk oordeel over de vraag of zij vindt dat aan de eerste vier zorgvuldigheidseisen (a tot en met d) is voldaan en doet daarvan schriftelijk verslag aan de arts. Dit consult is bedoeld om een zo zorgvuldig mogelijk besluitvormingsproces van de arts te bevorderen. Het helpt de arts na te gaan of aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan en te reflecteren op het euthanasieverzoek alvorens zij een definitief besluit neemt. De arts moet kennisnemen van het verslag van de consulent en het betrekken in haar afweging om over te gaan tot euthanasie. Ook voor de commissie is het verslag essentieel om tot een oordeel te komen dat aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan. De commissie hecht er waarde aan dat de uitvoerend arts het consult aanvraagt. Indien de arts daarvan afwijkt, verwacht de commissie dat de arts dit toelicht in haar verslag (EuthanasieCode 2022).
Per 1 januari 2026 is de EuthanasieCode geactualiseerd. Deze zorgvuldigheidseis staat op pagina’s 16-20.
Bij een man, tussen de zestig en zeventig jaar oud, was longkanker vastgesteld.
Het lijden
De man kreeg steeds meer pijn in onder andere zijn schouder en raakte steeds meer vermoeid. Hij was ondraaglijk benauwd bij de minste inspanning en kon zichzelf niet meer verzorgen. Hij werd volledig bedlegerig en daarmee afhankelijk van anderen.
Het verzoek
De man vroeg zijn huisarts om euthanasie. Volgens de arts was het lijden van de man uitzichtloos, omdat hij al een jaar uitbehandeld was verklaard. Zowel de arts als de medisch specialisten hadden alle opties met betrekking tot zijn ziektebeeld met de man besproken en hadden allemaal de overtuiging dat er geen redelijke en voor de man acceptabele mogelijkheden waren. Tegen alle verwachtingen in leefde de man nog steeds. De arts was verbaasd dat de man het al zo lang volhield. Hij was al over zijn eerder gestelde grenzen heengegaan, maar nu hield de man het niet langer meer vol.
Consultatie
De arts consulteerde een SCEN-arts als consulent. Zowel de consulent als de arts reflecteerden goed op hun onafhankelijkheid ten opzichte van elkaar. De consulent sprak met de man. De man was te moe om nog activiteiten te ondernemen en viel steeds verder af. Hij kon zich niet meer in huis voortbewegen en moest kruipend van de ene ruimte naar de andere ruimte. De man heeft het lang volgehouden, maar kon het met de verdere achteruitgang van zijn lijf niet langer opbrengen.
De consulent concludeerde dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek, uitzichtloos en ondraaglijk lijden en dat er geen redelijke andere oplossing was voor de situatie van de man. Hij was goed voorgelicht over de situatie en zijn vooruitzichten. De arts had de man ook ingelicht over de procedure van de consultatie door de consulent. Zo wist hij van tevoren goed wat het doel was van de consultatie en werd hem uitgelegd dat een deel van het gesprek onder vier ogen moest plaatsvinden.
Ruim drie maanden later verzocht de arts de consulent om opnieuw contact op te nemen met de man. De verwachte uitvoering enkele weken na de consultatie had nog niet plaatsgevonden. De man bleek het nog maanden vol te hebben gehouden, maar het was nu echt genoeg voor hem. De consulent nam telefonisch contact op met de man. Het lukte de man niet meer om het leven nog langer te rekken. De consulent concludeerde dat opnieuw aan alle criteria om euthanasie uit te voeren was voldaan.
De commissie oordeelde dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
Medisch zorgvuldige uitvoering
Komt het tot euthanasie, dan moet de arts deze medisch zorgvuldig uitvoeren. Het gaat hierbij onder meer om de keuze van de te gebruiken middelen en de dosering daarvan en om de controle van de diepte van de bewustzijnsverlaging. Bij het beoordelen van deze zorgvuldigheidseis gebruiken de commissies de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding (hierna: de Richtlijn) uit 2021 als leidraad. Volgens de Richtlijn moet de arts beschikken over een noodset van middelen, voor het geval er met de eerste set iets misgaat. Deze richtlijn geeft artsen en apothekers advies over een in de praktijk goed toepasbare en effectieve uitvoering van euthanasie en hulp bij zelfdoding. De Richtlijn geeft de middelen van eerste keuze aan, en noemt ook middelen die worden afgeraden (EuthanasieCode 2022).
Per 1 januari 2026 is de EuthanasieCode geactualiseerd. Deze zorgvuldigheidseis staat op pagina’s 20-22.
Bij een vrouw, tussen de zeventig en tachtig jaar oud, werd ongeveer een maand voor het overlijden uitgezaaide blaaskanker vastgesteld. Zij vroeg haar huisarts om euthanasie. De uitvoering van de euthanasie verliep gecompliceerd.
Euthanatica via een botnaald
Het lukte de ambulanceverpleegkundige meerdere keren niet om de intraveneuze lijn te plaatsen. Omdat toegang tot het bloedvat niet mogelijk was, koos de arts voor een botboring en het plaatsen van een botinfuus nadat de vrouw premedicatie toegediend had gekregen. De verdere uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek verliep zonder problemen. De arts diende 2000 milligram thiopental (coma-inductor) toe, voerde een comacheck uit en stelde daarmee op een adequate manier vast dat het bewustzijn van de vrouw voldoende was verlaagd. Deze bewustzijnsverlaging is belangrijk, omdat de vrouw anders het negatieve effect van de spierverslapper zou kunnen ervaren. Vervolgens diende de arts 150 milligram rocuronium (spierverslapper) toe. Hierna overleed de vrouw.
Afwijken van de Richtlijn en medisch zorgvuldige uitvoering
In de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding staat toediening van de euthanatica via een botnaald niet opgenomen. Botboring is een manier van toedienen van medicatie die in andere settingen gebruikt wordt als er geen intraveneuze toegang mogelijk is en geeft snel effect van de toegediende medicatie. Hoewel euthanatica slechts incidenteel via een botnaald worden toegediend, zijn er bij de RTE enkele gevallen bekend. In een eerder stadium heeft er contact plaatsgevonden met artsenfederatie KNMG waarin de KNMG aangaf dat een botnaald een geaccepteerde toedieningswijze is. Het gebruik van een botnaald kan een goed alternatief zijn bij uitvoering van levensbeëindiging als het plaatsen van een intraveneus infuus bij herhaling mislukt. Hoewel de arts niet volgens de Richtlijn heeft gehandeld, heeft hij de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
De commissie kwam tot het oordeel dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.