
Praktijkvoorbeelden meest voorkomende aandoeningen
Jaarverslag RTE 2025
Uit de cijfers blijkt dat artsen euthanasie vooral verlenen aan patiënten met kanker, aandoeningen van het zenuwstelsel, hart- en vaataandoeningen, longaandoeningen of een combinatie van aandoeningen. Als voorbeelden daarvan dienen de volgende vijf meldingen, die allemaal NVO-meldingen zijn en dus digitaal zijn beoordeeld door de commissies. Samen geven ze een beeld van de aard van de meldingen die de RTE het meest ontvangt.
Hersentumor met halfzijdige verlamming
Bij een vrouw, tussen de veertig en vijftig jaar oud, was bijna negen jaar voor het overlijden een kwaadaardige hersentumor ontdekt. De vrouw onderging een operatie en verschillende soorten behandeling (chemotherapie en bestraling). Een jaar voor het overlijden werd opnieuw een hersentumor ontdekt en werd de vrouw weer geopereerd. Ongeveer twee maanden voor het overlijden kreeg de vrouw last van woordvindstoornissen. Zij wilde toen geen verdere behandeling meer. Kort voor het overlijden bleek de hersentumor doorgegroeid te zijn in het deel van de hersenen dat gaat over het plannen en uitvoeren van bewuste bewegingen.
Het lijden
Het lijden van de vrouw bestond uit halfzijdige verlamming en langzaam toenemende hoofdpijn, waardoor zij volledig hulpbehoevend werd. De vrouw vond het ondraaglijk dat zij volledig afhankelijk was geworden van anderen en continu om hulp moest vragen. Zij kon door de verlamming haar grote passie niet meer uitoefenen.
Zij wist dat haar ziekte progressief was en dat zij alleen nog maar verder achteruit zou gaan. Er was voor haar geen kwaliteit van leven meer.
Het verzoek
De vrouw had eerder in haar ziektetraject al met haar huisarts gesproken over de mogelijkheid van euthanasie. Haar huisarts had echter nog nooit eerder een euthanasie uitgevoerd. De vrouw wendde zich daarom tot Expertisecentrum Euthanasie (EE) en kwam zo in contact met de arts. Een week voor het overlijden vroeg zij de arts om de euthanasie uit te voeren.
Consultatie
De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de vrouw enkele dagen voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.
Uitvoering
De arts voerde vervolgens de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van 2021.
De commissie oordeelde dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
Cerebellaire ataxie
Bij een man, tussen de tachtig en negentig jaar oud, werd twee jaar voor het overlijden cerebellaire ataxie vastgesteld. Dit is een bewegingsstoornis, veroorzaakt door schade aan de hersenen. Deze aandoening ontstond naar alle waarschijnlijkheid door medicatie die de man voor zijn hartritmestoornissen gebruikte.
Het lijden
Vier jaar voor het overlijden begonnen de eerste klachten. Hij kreeg spraakproblemen en ongecontroleerde en schokkerige bewegingen in zijn ledematen. In de jaren voor het overlijden ging de man hard achteruit. Zelfstandig staan of lopen lukte hem niet meer en hij was de hele dag moe. Zijn kracht en coördinatie waren sterk afgenomen en hij verloor vrijwel de volledige functie van zijn handen. Hij vond zijn leven grotendeels doelloos en kon alleen nog plezier en afleiding ervaren van de bezoeken van zijn kinderen en kleinkinderen. De man was voor de zorg volledig afhankelijk geworden van anderen. De cerebellaire ataxie nam steeds verder toe, maar vanwege zijn ernstige hartritmestoornissen kon hij zijn medicatie niet staken.
Het verzoek
Bijna twee jaar voor het overlijden sprak de man voor het eerst met zijn huisarts over zijn euthanasieverzoek. Anderhalf jaar voor het overlijden vroeg de man om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek.
Consultatie
De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de man voor het eerst ongeveer een half jaar voor het overlijden. Tijdens dit eerste consult vond de man zijn lijden nog niet ondraaglijk. De consulent zou een maand later contact opnemen met de arts en indien gewenst een tweede consultatie doen. In de tussentijd werd een naaste van de man onverwachts ziek en deze overleed enkele maanden later. De man wilde zijn euthanasieverzoek opschorten ten tijde van het ziekbed van zijn naaste, omdat hij vond dat zijn nabestaande hem op dat moment niet ook nog moest verliezen. Drie maanden na het overlijden van zijn naaste was het euthanasieverzoek concreet geworden en leed de man inmiddels ook ondraaglijk. Zijn klachten waren in de laatste zes maanden steeds heftiger geworden. De consulent bezocht de man enkele dagen voor zijn overlijden opnieuw en kwam tot de conclusie dat nu aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.
Uitvoering
De arts voerde vervolgens de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van 2021.
De commissie oordeelde dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
Terminaal hartfalen
Een man, tussen de zeventig en tachtig jaar oud, leed aan terminaal hartfalen. Ruim vijfendertig jaar voor het overlijden had de man zijn eerste hartinfarct. In de jaren die volgden, kreeg hij steeds meer hartproblemen. Ongeveer vijftien jaar geleden had de man weer twee hartinfarcten, waarbij steeds meer klachten ontstonden door het bijkomende hartfalen. Twee jaar voor het overlijden werd duidelijk dat het vaatlijden van de man in een eindstadium was en niet geopereerd kon worden. Eventuele mogelijkheden om de klachten met medicatie aan te pakken, hielpen niet meer voor de man.
Het lijden
Het lijden van de man bestond uit een steeds meer structurele ernstige druk op de borst en een gevoel van benauwdheid. De kleinste inspanning kon dit gevoel al oproepen en zelfs het eten van een maaltijd en de vertering daarvan kon dan al te inspannend zijn voor het hart. De man koos ervoor om zijn inwendige defibrillator uit te zetten, nadat deze hem de afgelopen maanden meerdere keren in leven had gehouden. Hij hoopte dat hij zou overlijden door een hartstilstand, maar hierna kreeg hij geen hartstilstand meer. De arts kende zijn patiënt als een kalme, berustende man die veel kon dragen. De man ging altijd door en had tot bijna het laatste moment plezier gehouden in dingen. De heftigheid van het lijden en het steeds structureler worden daarvan, kon hij uiteindelijk niet meer verdragen.
Het verzoek
De man had al vaker met de arts, zijn huisarts, gesproken over de mogelijkheid van euthanasie. Een maand voor het overlijden vroeg hij de arts over te gaan tot uitvoering van de euthanasie.
Volgens de arts was sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts was er ook van overtuigd dat het lijden voor de man ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren voor hem geen mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder bleek uit het dossier dat de arts de man had voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en zijn vooruitzichten.
Consultatie
De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de man zes weken voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.
Euthanasie
De arts voerde vervolgens de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van 2021.
De commissie oordeelde dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
Longfibrose met schimmelinfectie
Een man tussen de zestig en zeventig jaar oud, had longfibrose. Hij onderging ongeveer een jaar voor het overlijden een longtransplantatie, maar deze mislukte doordat zijn lichaam de long afstootte. De patiënt hield zichzelf overeind met de hoop op een nieuwe transplantatie. Ongeveer een maand voor het overlijden vertelde de longarts hem dat hij hiervoor was afgewezen.
Het lijden
Voor de man was deze afwijzing een enorme klap. Hij leefde op de hoop voor een nieuwe transplantatie. Met die hoop verdween ook zijn perspectief. Daardoor had hij geen draagkracht meer voor zijn lichamelijke klachten, die snel verergerden. Hij werd steeds meer kortademig, kreeg een zeer moeizaam te behandelen schimmelinfectie in zijn longen en was erg beperkt in zijn energie. Zo kon hij alleen nog met veel moeite naar het toilet lopen en kon hij zijn eigen sokken niet aantrekken. Hij keek de hele dag naar de klok en hoopte dat de dag snel voorbij zou gaan.
Het verzoek
Een paar dagen nadat hij hoorde dat hij niet in aanmerking kwam voor een tweede transplantatie, vroeg de man de arts, zijn huisarts, om euthanasie. Nadat hij dit verzoek herhaalde, raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijk SCEN-arts. De consulent bezocht de man ongeveer anderhalve week voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de eerste vier zorgvuldigheidseisen werd voldaan.
De uitvoering
De arts voerde vervolgens de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van 2021.
De commissie oordeelde dat de arts volgens de zorgvuldigheidseisen had gehandeld.
Hartfalen, diabetes mellitus en COPD
Een man, tussen de vijftig en zestig jaar oud, had sinds zeventien jaar COPD. Sinds drie jaar voor het overlijden was er sprake van eindstadium COPD met emfyseem waarbij hij zuurstofafhankelijk was. Bij de man was ook hartfalen vastgesteld. Daarnaast leed hij aan diabetes mellitus met diabetische zenuwschade.
Het lijden
De man ging de afgelopen jaren flink achteruit. Hij had forse obesitas en lag vrijwel de hele dag op bed. Hij kwam zijn slaapkamer ook niet meer uit omdat hij te benauwd was om nog te kunnen lopen. Het lukte hem slechts met moeite om de postoel te bereiken, maar meer dan dat ging niet meer. Hij was volledig afhankelijk van zijn partner voor de zorg en alledaagse dingen en wilde absoluut geen hulp van anderen dan zijn partner. Hij ervoer hierdoor ook geen enkele privacy meer. De situatie waarin hij zich nu bevond, vond hij mensonterend en hij weigerde incontinentiemateriaal te dragen. De man had door een beschadiging aan de postoel een wond aan zijn been opgelopen, maar door de neuropathie had hij dit niet gevoeld. De wond wilde maar niet genezen en de wondverzorging die door zijn partner werd geleverd, leverde hem veel ongemak op. Het lukte hem nog wel om te genieten van zijn kleinkind, maar merkte ook dat zijn kleinkind zijn beperkingen niet snapte en dat deed hem pijn. Ook realiseerde hij zich dat zijn kleinkind nog te jong was om later herinneringen aan hem te hebben.
Het verzoek
Drie jaar voor het overlijden sprak de man voor het eerst met zijn huisarts over zijn euthanasieverzoek. Bij de man ontstond twijfel of hij het euthanasietraject nu wel door wilde zetten, omdat binnen enkele maanden een kleinkind geboren zou worden. De arts had al een consulent geraadpleegd, maar vanwege de grote twijfel bij de man, werd besloten om de euthanasie uit te stellen. De man kaartte zijn euthanasieverzoek in de jaren die volgden nog wel aan, maar kwam niet met een concreet verzoek. Twee maanden voor het overlijden vroeg de man om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek en herhaalde dit in de gesprekken die volgden.
Consultatie
De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de man twee weken voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.
De uitvoering
De arts voerde vervolgens de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van 2021.
De commissie oordeelde dat de arts had voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.