Medisch zorgvuldige uitvoering in het licht van de 30-minutenregel

Jaarverslag RTE 2025

De zesde zorgvuldigheidseis in de Wtl is een medisch zorgvuldige uitvoering van de euthanasie. Vanaf 1 juli 2025 heeft de RTE een nieuwe norm: uitvoeringen vanaf deze datum worden in ieder geval als medisch onzorgvuldig beoordeeld als 30 of meer minuten zijn verstreken tussen het toedienen van de coma-inductor en de (laatste) spierverslapper.
Hieronder legt de RTE uit wat de achtergrond is van deze wijziging en wat dit concreet betekent voor artsen.

Achtergrond en Richtlijn

De arts moet de euthanasie medisch zorgvuldig uitvoeren. Om te beoordelen of een uitvoering van euthanasie medisch zorgvuldig is, gebruikt de RTE als leidraad de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van de KNMG/KNMP (hierna: Richtlijn). De Richtlijn maakt een onderscheid tussen hulp bij zelfdoding en levensbeëindiging op verzoek. Deze paragraaf behandelt de procedure van uitvoering van levensbeëindiging op verzoek. Dit is veruit de meest gebruikte methode.

Om levensbeëindiging op verzoek te verlenen, dient de arts eerst via een infuusnaald in een bloedvat een coma-inductor toe en vervolgens een spierverslapper. Deze coma-inductor leidt bij de patiënte tot een verlaagd bewustzijn. Het doel van de coma-inductor is dat de patiënte het effect van de spierverslapper niet ervaart. De arts moet controleren of het bewustzijn van de patiënte voldoende is verlaagd (comacheck). Nadat de arts op de juiste wijze heeft gecontroleerd dat dit het geval is (door vast te stellen dat de beschermende reflex afwezig is of door een pijnprikkel toe te dienen), gaat zij over tot het toedienen van de spierverslapper. De patiënte overlijdt vervolgens.

De Richtlijn schrijft voor dat, nadat de coma-inductor is toegediend en een adequate bewustzijnsverlaging is vastgesteld, de spierverslapper direct aansluitend moet worden toegediend. De Richtlijn stelt daaraan geen tijdslimiet, maar legt uit dat lang wachten als risico heeft dat de bewustzijnsverlaging minder diep wordt op het moment dat de spierverslapper wordt toegediend. Het kan dan zijn dat de patiënte alsnog de werking van de spierverslapper ervaart. Dit zou betekenen dat zij zichzelf zou voelen stikken.

Uitvoering niet zoals beoogd

In uitzonderlijke gevallen verloopt de uitvoering niet zoals beoogd. Het gebeurt soms dat de patiënte na het toedienen van de coma-inductor niet (snel) in een verlaagd bewustzijn raakt of dat de patiënte niet overlijdt na toedienen van de spierverslapper. De doseringen die in de Richtlijn genoemd zijn voor beide middelen, zijn bewust hoog. Als één van de middelen dus niet werkt zoals verwacht, is de kans groot dat het middel niet in het bloedvat is terechtgekomen. De arts moet de hele procedure opnieuw uitvoeren. Dat betekent dat de arts een nieuwe infuusnaald moet inbrengen en via het nieuwe infuus alle middelen nogmaals moet toedienen. Het is daarom belangrijk dat de arts een noodset bij zich heeft.

De RTE heeft gemerkt dat niet alle artsen op de hoogte zijn van het belang van het snel toedienen van de middelen en het opnieuw starten van de procedure als een middel niet werkt zoals verwacht. Het komt daardoor wel eens voor dat een arts, wanneer de patiënte niet overlijdt, extra spierverslapper toedient zonder een nieuwe infuusnaald in te brengen en opnieuw een coma-inductor toe te dienen. Dit brengt het risico met zich mee dat de patiënte geen voldoende bewustzijnsverlaging (meer) heeft en er dus een kans is dat de patiënte het gevoel ervaart dat zij  stikt.

Nieuw toetsingskader

Om het risico te minimaliseren dat de patiënte de werking van de spierverslapper ervaart, heeft de RTE besloten om een nieuwe toetsnorm toe te passen. Hierover is overleg geweest tussen de RTE en de richtlijncommissie van artsenfederatie KNMG. Als 30 of meer minuten zijn verstre­ken tussen het toedienen van de coma-inductor en de (laatst toege­diende) spierverslapper, is het risico te groot dat de patiënte het effect van de spierverslapper ervaart. De comacheck is dan niet meer vol­doende betrouwbaar. De RTE zal daarom in ieder geval de uitvoering als medisch onzorgvuldig beoordelen in de gevallen waarin 30 of meer minuten zijn verstreken tussen het toedienen van de coma-inductor en de (laatste) spierverslapper.