Eis 6: uitvoering
De arts heeft de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Bij euthanasie is sprake van een actieve handeling van de arts die de euthanatica intraveneus toedient aan de patiënt. Van hulp bij zelfdoding is sprake als de arts het euthanaticum aan de patiënt overhandigt en de patiënt dit middel zelf inneemt. De arts moet bij de patiënt aanwezig blijven totdat deze is overleden. Mogelijk is immers dat zich complicaties voordoen, bijvoorbeeld dat de patiënt de drank weer uitbraakt. De arts kan dan -alsnog- euthanasie toepassen. De arts mag de euthanatica ook niet bij de patiënt achter laten. Dat kan gevaar opleveren, ook voor anderen dan de patiënt.
De eis van de medisch zorgvuldige uitvoering omvat in de eerste plaats de medisch-technische correcte toediening van de juiste middelen. In de tweede plaats moet de arts de levensbeëindiging zelf uitvoeren. De daarvoor vereiste handelingen mogen niet aan anderen, zoals verpleegkundigen worden overgelaten.
Voor de methode, de middelen en de dosering wordt het advies van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Pharmacie (KNMP) gevolgd. Dit advies is opgenomen in de Standaard Euthanatica (2007). Bij de beoordeling van de melding hanteren de commissies deze Standaard als leidraad.
In augustus 2012 is een nieuwe KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding gepubliceerd.