Eis 4: geen redelijke andere oplossing
De arts is met de patiënt tot de overtuiging gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was.
De arts en de patiënt moeten ervan overtuigd zijn dat er voor deze patiënt geen andere uitweg meer is dan euthanasie of hulp bij zelfdoding. Hieruit blijkt dat het besluitvormingsproces een zaak is van de patiënt en de arts samen. Voorop staat de zorg voor en de behandeling van de patiënt en het bespreken en zoveel mogelijk wegnemen van het lijden. Het bieden van goede medische zorg (waaronder ook palliatieve) staat centraal in de arts-patiënt relatie.
Euthanasie of hulp bij zelfdoding komt pas aan de orde wanneer arts en patiënt ervan overtuigd zijn dat er geen reëel behandelingsperspectief meer voorhanden is. Dat wil niet zeggen dat iedere mogelijke (palliatieve) behandeling moet worden geprobeerd. Sommige (palliatieve) behandelingen bijvoorbeeld hebben bijwerkingen die voor een patiënt moeilijk te verdragen zijn. Ook zijn er patiënten die geen verdere palliatie (medicatie) willen, omdat zij bang zijn suf te worden of hun bewustzijn te verliezen. Ook wanneer een patiënt bijvoorbeeld (angst voor) verdergaande ontluistering, afhankelijkheid, de uitzichtloosheid van zijn lijden e.d. niet langer kan of wil verdragen kan er sprake zijn van het ontbreken van een redelijke andere oplossing.
Wanneer een behandeling wordt afgewezen, beoordelen de commissies of in dat geval sprake was van een ‘redelijke andere oplossing’. Omdat de arts en de patiënt op dit punt samen tot besluitvorming komen, wordt van de arts verwacht dat hij in de verslaglegging aangeeft waarom weigering van een behandelalternatief door de patiënt in die situatie redelijk was.