Home > Veelgestelde vragen > Wetgeving

Wetgeving

  1. Waarom is er een euthanasiewet?
  2. Is een arts verplicht om een verzoek tot euthanasie in te willigen?
  3. Wordt ieder verzoek om euthanasie ingewilligd?
  4. Is euthanasie altijd toegestaan?
  5. Kan een patient uit het buitenland naar Nederland komen voor euthanasie?
  6. Wie zitten er in een toetsingscommissie?
  7. Welke oordelen zijn mogelijk en wat zijn de gevolgen?
  1. Waarom is er een euthanasiewet?

    Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw was de vraag of een arts, die het leven van een ernstig lijdende patiënt op diens verzoek beëindigd had, “vrij uit” moest gaan onderwerp van herhaalde discussie. Moderne medische technologie, levenverlengende behandelmethodes, maar ook het steeds mondiger worden van patiënten, de wens bij velen om met betrekking tot het eigen levenseinde zelf te kunnen beschikken plaatsten de discussie regelmatig op de politieke agenda. De vraag of, en zo ja hoe de strafbaarheid van euthanasie en hulp bij zelfdoding zou moeten worden beperkt heeft gedurende twee decennia geleid tot meerdere aanzetten tot wet- en regelgeving.

    Intussen werd door artsen euthanasie toegepast en hulp bij zelfdoding verleend, strafbare handelingen, waarop strafvervolging en rechterlijke uitspraken (ook van de Hoge Raad) volgden. Steeds duidelijker werd onder welke omstandigheden het beroep door de arts op overmacht, bestaande uit noodtoestand (conflict van rechten en plichten), door het OM, resp. de rechter werd gehonoreerd. In 1990 kwam de zgn. Meldingsprocedure Euthanasie tot stand: tegen de arts die zich hield aan deze in de jurisprudentie ontwikkelde criteria werd in principe geen strafvervolging ingesteld. Ondanks deze, in 1994 wettelijk verankerde, procedure nam de bereidheid bij artsen om euthanasie en hulp bij zelfdoding te melden slechts gestaag toe; de toetsing in een strafrechtelijke context werd toch als bedreigend ervaren.

    Voor het realiseren van het overheidsbeleid, gericht op een transparante, toetsbare euthanasiepraktijk, die ook de zorgvuldige besluitvorming rond het levenseinde zelf te goede zou komen, was deze meldingsbereidheid belangrijk.

    Met het in 1998 instellen van de Toetsingscommissies Euthanasie, die het Openbaar Ministerie van een zwaarwegend advies moesten voorzien, werd beoogd om bij het toetsen van euthanasie en hulp bij zelfdoding justitie “op enige afstand te plaatsen”. De wens om de meldingsbereidheid van de artsen verder te bevorderen en de betrokkenheid van het Openbaar Ministerie tot het noodzakelijke minimum te beperken (verdere “decriminalisering” van artsen) heeft geleid tot een initiatief wetsvoorstel (D66, PvdA, VVD), dat door het kabinet in 1998 is overgenomen en als Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) in 2002 in werking is getreden.

    De wet houdt in dat euthanasie en hulp bij zelfdoding in beginsel strafbaar blijven gesteld (art. 293 en art. 294 Wetboek van Strafrecht), maar geen strafbare gedraging zijn indien zij worden verricht door een arts, die zich aan de in de wet (WTL) zelf opgenomen zorgvuldigheidseisen houdt én dit aan de lijkschouwer meldt.
    De Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE’s) zijn in de wet aangewezen om het handelen van de meldend arts te toetsen, met andere woorden te oordelen of de arts wel of niet conform de wettelijke zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld.

     

  2. Is een arts verplicht om een verzoek tot euthanasie in te willigen?

    Nee. Levensbeëindiging op verzoek is, evenals hulp bij zelfdoding, geen plicht van de arts en geen recht van de patiënt.

    Het besluit om over te gaan tot euthanasie of hulp bij zelfdoding is een besluit van arts en patiënt gezamenlijk. Arts en patiënt moeten beiden tijd en ruimte krijgen om hun eigen visie te ontwikkelen over de euthanasievraag.

    Een arts kan om verschillende redenen geen medewerking verlenen aan een verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding. De arts kan bijvoorbeeld euthanasie en hulp bij zelfdoding op principiële gronden afwijzen of hij kan in een concreet geval van mening zijn dat er nog niet aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Wanneer  zijn afwijzing op principiële gronden berust moet de arts dit tijdig aan de patiënt laten weten zodat deze zich tot een andere arts kan wenden.

  3. Wordt ieder verzoek om euthanasie ingewilligd?

    Nee. Tweederde van alle verzoeken hoeft niet te worden ingewilligd. Vaak biedt (palliatieve) behandeling nog uitkomst. Soms is voor patiënten alleen al de wetenschap dat de arts bereid is om tot euthanasie of hulp bij zelfdoding over te gaan voldoende. Vaak overlijden patiënten nog voordat de uitvoering van hun eerdere verzoek om euthanasie aan de orde is gekomen.

  4. Is euthanasie altijd toegestaan?

    Nee. Euthanasie is, evenals hulp bij zelfdoding, in Nederland in het Wetboek van Strafrecht opgenomen als strafbaar feit. Het is volgens de wet strafbaar een ander te doden of hulp bij zelfdoding te verlenen, ook als die ander hierom uitdrukkelijk heeft verzocht.
    Hierop geldt één uitzondering. Als een arts, die euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding verleent, zich daarbij houdt aan de zorgvuldigheidseisen van de Wet toetsing levenbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) en dit meldt, is euthanasie of hulp bij zelfdoding niet strafbaar. Als de arts zich niet aan deze eisen heeft gehouden, kan tegen de arts strafrechtelijk worden opgetreden.

  5. Kan een patient uit het buitenland naar Nederland komen voor euthanasie?

    Een patiënt die in het buitenland wordt behandeld kan niet “even” uit het buitenland naar Nederland komen om hier euthanasie te laten verrichten. Bij euthanasie, evenals bij hulp bij zelfdoding, moet er namelijk een behandelrelatie zijn tussen arts en patiënt. Een arts moet bij het uitvoeren van euthanasie of het verlenen van hulp bij zelfdoding voldoen aan bepaalde zorgvuldigheidseisen. Om daaraan te kunnen voldoen moet de arts de patiënt (goed) kennen.

  6. Wie zitten er in een toetsingscommissie?

    Een regionale toetsingscommissie bestaat uit drie leden: een jurist (voorzitter van de commissie), een arts en een ethicus. Zij hebben allen een plaatsvervanger. De secretaris van de commissie, een jurist, heeft een adviserende stem. De leden zijn voor een periode van vier jaar benoemd door de minister van Justitie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  7. Welke oordelen zijn mogelijk en wat zijn de gevolgen?

    De commissieleden beoordelen een euthanasiemelding met het oordeel “zorgvuldig”, d.w.z. volgens de wettelijke zorgvuldigheidseisen uitgevoerd en correct gemeld, of “onzorgvuldig”. Beoordeelt een commissie een melding als  “zorgvuldig” dan is de zaak hiermee -de facto- afgedaan; de arts ontvangt het oordeel. Als het oordeel “onzorgvuldig” luidt dan stuurt de commissie het oordeel aan de arts en aan het College van procureurs-generaal en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Deze instanties beoordelen elk naar eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid of en zo ja welke stappen dienen te worden ondernomen tegen de arts.